|
wat een GEMEUK weer!! 
meuk betekent gewoon het volgende:
I. meuk, v. (m) (-en), (gew.) 1. bewaarplaats voor appels en peren, inz. om ze door het liggen rijp te laten worden; - 2. bewaarplaats voor geld; - 3. bespaarde som: hij heeft een goede meuk gemaakt, een aardig sommetje bespaard; hij heeft een meuk geld, heel veel; - 4. hoop rommel, huisraad, vuil goed enz: veel meuk maken, alles overhoop halen; 't is daar een erge meuk, een ongeordend, ongeregeld huishouden.
II meuk, I. bn. bw., (gew.) 1. zacht, rijp; - 2. (van het gelaat) zacht, vriendelijk; - II. zn. v. (m.) het zacht-, murw-worden: in de meuk staan, om week of zacht te worden.
I meu'ken, I. overg. (meukte, heeft gemeukt), 1. zacht, week, murw maken; - 2. (van onstoffelijke zaken) verzachten; - II. onoverg. (meukte, is gemeukt), 1. murw, zacht worden: de gort heeft de hele nacht staan meuken; met tijd en stro meuken de mispels, - 2. vertederd worden; - 3. (gew.) rommel maken.
II meu'ken, o. (-s), (Zuidn.) inhoudsmaat voor droge waren = 1/8 hl.

___________________
|